Als een gestrande walvis lig ik op bed me schuldig te voelen omdat ik aan het werk zou moeten gaan, maar ik krijg het niet voor elkaar om ook maar één vinger te bewegen. Het is heet. De thermometer in de kamer laat 30 graden zien. Ik werk thuis en dus las ik mijn bloedeigenste tropenrooster in. En zo kom ik op bed terecht waar ik luister naar de buitengeluiden. Ik woon in een nieuwe wijk die in aanbouw is. Heipalen die in de grond worden gerost en takelwagens die afgebroken gebouwen op een berg bij elkaar harken en de brokstukken in een vrachtwagen hijsen.
Ik verlang naar de bouwvak, naar de zware, zwoele stilte van de zomer. Het is heet. Ik hou niet van klagen over de hitte, daarvoor is de hitte in ons land te zeldzaam en zijn er teveel koude dagen. Klagen over de hitte vind ik klagen over teveel cadeautjes op je verjaardag. De hitte vraagt om een ander temperament, een ander werkritme. Het vraagt om tempo doeloe.
Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik op bed ook kan werken. Ik kan nadenken over wat het volgende hoofdstuk van mijn tweede roman moet worden. Ongetwijfeld een hoofdstuk waarin het heet zal zijn. Het verhaal speelt zich in de winter af, dus een hittegolf zoals in mijn eerste roman gaat het niet worden. Misschien een AGA-oven met alle deurtjes open waar mijn hoofdpersonage haar handen en hart aan warmt. Want ik hou van hitte. Hitte in een hangmat is voor mij subliem genot. Nooit ben ik zo goed in staat om me volledig te ontspannen als tijdens een hittegolf. Mits ik niet hoef te werken en ik me eraan kan over geven. En dat is precies het probleem.
Ik sta mezelf niet toe ervan te genieten want ik moet aan het werk, ik moet grote mensendingen doen. Wat zou ik graag zoals vroeger een tuinslang uit het raam willen laten hangen en er kirrend van plezier met alleen een zwembroekje aan onder willen dartelen, samen met de kinderen uit de buurt. Wat deed ik vroeger als kind nog meer in de zomer? In elk geval niet op bed liggen en proberen me zo min mogelijk te bewegen. Ik maakte zandkastelen op het strand, groef een kuil voor een ander waar ik zelf in viel, liet me ingraven tot aan mijn nek. Ik ving kikkervisjes uit de sloot die ik in een emmertje kieperde om ze daarna terug te gooien en zonder mokken opnieuw te beginnen en dat hield ik rustig een hele dag vol. Een kind leeft volledig in het nu. Net als een dier. En welk een schoonheid brengt dat met zich mee. Wat moeten wij toch met dat hoofd vol gedachten aan wat is geweest en nog zal komen en vooral hoe we daar zullen moeten komen. Ik pak de fiets en rij naar ’t Twiske. Het is misschien niet de tijd van het jaar voor kikkervisjes maar wat kan mij het schelen.
Reacties
Dat was mooi om te lezen Marian en dan nog tijdens de hitte die zoveel problemen geeft om eerst goed te denken.. Heel herkenbaar al die bouwgeluiden ook hier is dat steeds de laatste weken. Verder dan 'n prachtige vergelijking met hoe een kind dit alles beleeft en voor iedereen herkenbaar is in zijn/haar eigen kindzijn of nu in kleinkinderen. Zijn of worden als de kinderen als dat toch nog eens kon!
Het was om over na te denken, ondanks en dankzij de hitte.
ik weet precies wat je bedoel maar we overleven wel hoor een liefdevolle dag
jannie